Hoofdmenu

Random image

Labbaye de Paimpont.jpg.jpg
Drie generaties Brom actief in Wijkse kerk PDF Print E-mail
Geschreven door S. van Daal   
zaterdag, 17 januari 2009 09:33

De edelsmederij Brom in Utrecht werd opgericht in 1856 door Gerard Bartel Brom (Amersfoort, 1831-Utrecht, 1882). Het atelier voor edel- en siersmeedkunst heeft meer dan honderd jaar bestaan en sloot de poorten in 1961.

Oprichter Gerard Bartel Brom werkte voordat hij zijn eigen bedrijf startte als koperslager bij Van Kempen te Utrecht. In de beginjaren van het atelier werden veel werken besteld bij het atelier van Franz Xaver Hellner (1819-1901) in het Duitse Kempen am Rhein, kwalitatief en kwantitatief een van de belangrijkste ateliers op het gebied van kerkelijk smeedwerk op dat moment. In een contract werd vastgelegd dat Hellner geen koperwerk in Nederland zou verkopen en dat Brom op provisiebasis de belangen van Hellner zou behartigen. Hellner bouwde in Duitsland een goede naam op met het kopiëren van middeleeuws kerkzilver. Voornamelijk neogotisch en neoromaans werk werd afgeleverd.

Jan Hendrik Brom (Utrecht, 1860-1915) leerde het vak van zijn van Gerard Bartel, aan de Utrechtse Burger Dag- en Avondschool en ging in 1873 tevens in de leer in atelier Hellner te Kempen am Rhein. Tekenen en boetseren werd hem bijgebracht door Friedrich Wilhelm Mengelberg (Keulen, 1837- Utrecht, 1919). Toen Gerard Bartel in 1882 overleed, nam Jan Hendrik de leiding over het atelier over. Hij liet rond 1900 de neostijlen los en ontwikkelde een vormentaal die aansluit bij de art nouveau.

Toen Jan Hendrik in 1915 overleed, kregen Leo (1896-1965) en Jan-Eloy Brom (1891-1954) de leiding over het atelier. Zus Joanna Brom (1898-1980) leverde haar bijdrage als edelsmid en emailleur en de echtgenote van Jan-Eloy, Hildegard Brom-Fischer (1908-2001) was naaldkunstenares.

Jan-Eloy volgde zijn opleiding o.m. aan de Polytechnic School of Arts in Londen, de Königliche Preussische Zeichenakademie in Hanau en de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam. Leo volgde lessen aan de Kunstnijverheidsschool te Utrecht en ging ook naar de Rijksacademie in Amsterdam.

In 1961 werd het bedrijf gesloten bij gebrek aan een opvolger en door een sterk afnemende vraag naar kerkelijke smeedkunst.

De parochie St. Johannes de Doper beschikt over smeedwerk en liturgisch vaatwerk van Brom die een goed beeld geven van de ontwikkeling van de objecten die tot stand kwamen in de lange tijd dat het bedrijf in productie was. De oudste stukken dateren van 1872 en het jongste van 1957, vier jaar voor de sluiting van het atelier. 

 

Twee kandelaars 

De parochie in Wijk bij Duurstede bezit twee geelkoperen kandelaars met een hoogte van 210 centimeter, bedoeld voor op het priesterkoor, aan weerszijden van het hoogaltaar. Op een schilderij van het interieur van de waterstaatskerk (het zichtbare deel werd gesloopt in 1907) komen de kandelaars al voor. De breed uitlopende voet met langgerekte lobben rust op drie liggende leeuwen. De stam wordt aan drie zijden omgeven door gedraaide schalken (koordranden)en wordt onderbroken door nodi. De vetvanger loopt weer breed uit en heeft een gegolfde bovenrand. Zowel in de voet als in de vetvanger is het merkteken G.B.Brom Utrecht geslagen. Op de onderste rand van de voet is in grote letters de volgende tekst aangebracht: Geschenk van Mej. J.M.G. Hooft van Huysduynen 1872.

 

Communiebanken

In de Wijkse kerk zijn tien geelkoperen reliëfs te vinden uit de periode dat Jan Hendrik aan het roer stond van de edelsmidse. Deze zijn afkomstig uit de voormalige communiebanken. Bij de versobering van de kerk in de jaren zestig, werden de commfuniebanken gedemonteerd en bleven slechts de in koper gedreven reliëfs bewaard. Eerder, bij de vernieuwing van het priesterkoor, waren de hekjes die de twee communiebanken met elkaar verbonden en het priesterkoor afsloten, reeds verdwenen. De hekjes en vier vierkante florale reliëfs van 53 bij 53 centimeter zijn opengewerkt uitgevoerd en flankeerden de reliëfs met figuratieve voorstellingen van heiligen en bijbelse voorstellingen. De grote reliëfs met het Laatste Avondmaal en de apostelen die tezamen met Maria het misoffer vieren zijn 53 bij 98,5 centimeter. Pastoor Pruyn, opdrachtgever en schenker van de communiebanken, is in beide voorstellingen afgebeeld, te midden van de apostelen. De kerk van Onze Lieve Vrouw Onbevlekt Ontvangen te Hilversum, gebouwd in 1910, bezit ook een dergelijk reliëf, uiteraard met een andere pastoor.

De serie van florale reliëfs en die met de Bijbelse voorstellingen wordt aangevuld met een viertal heiligen die te maken hebben met de devotie voor het H. Sacrament: St. Juliana Falconieri, St. Clara, St. Aloysius van Gonzaga en St. Cornelis van Wijk. De laatste heilige was een van de Martelaren van Gorkum en werd geboren in Wijk bij Duurstede. Deze reliëfs hebben een afmeting van 53 bij 27 centimeter.

 

Miskelk, pateen en kelklepeltje 

Een verguld zilveren miskelk met pateen en lepeltje van de hand van Jan-Eloy Brom wordt in de kluis bewaard. De kelk is door atelier Brom vervaardigd voor deken J.H. Meijer die 15 augustus 1917 priester werd gewijd, als geschenk van zijn ouders en zusters. Dit is op de onderzijde van de voet gegraveerd: Joanno Henrico Meijer die festo Assumptionis Beatae Mariae Virginis inter sacerdotes allecto parentes Henricus Meijer Wilhelmina van Lint et sorores anno MCMXVII.

Op de voet, nodus en tegencuppa zijn druivenranken verbeeld. op de cuppa voet is de tekst +Ego sum vitis vos palmites+ aangebracht, terwijl op de voet +Sine me nihil potestis facere, joa.15.5+ staat. Tezamen vormt dit een deel van de Bijbeltekst Johannes 15 vers 5: Ik ben de wijnstok en jullie de ranken. Zonder mij kun je niets doen. Een kruis met diamanten ingelegd completeert het geheel.

De pateen is aan de onderzijde gehamerd en op de bovenzijde is een kruisje aangebracht. Het kelklepeltje is uitgevoerd als een druivenrank.

 

Doopvont

De gepatineerde doopvont is getuige een inscriptie in het deksel een schenking van Cornelis van den Heiligenberg. De ronde bolle voet rust op vier monsterfiguren. De stam is gedecoreerd met gesmede takken. Op de kuip van de vont is een Latijnse tekst aangebracht: Nisi quis renatus fuerit ex aqua et Spiritus S. non potest introire In Regnum Dei (Wie niet herboren wordt uit water en uit de Heilige Geest, kan het Rijk van God niet binnengaan). Op het geelkoperen, spits toelopende deksel zijn de vier paradijsstromen gegraveerd, gepersonifieerd door vier jongelingen met kruiken waaruit water stroomt. Hun namen staan erbij vermeld: Geon, Phison, Eufraat en Tigris.

Bij de vont horen een gepatineerde doopschep en een geelkoperen doopschaal.

Twee soortgelijke doopvonten werden door edelsmederij Brom vervaardigd voor kerken in Sloten en Mariaparochie. De Wijkse doopvont is echter de enige van deze drie die gepatineerd is.

   

Links de doopvont te Wijk bij Duurstede, rechts die van Sloten zoals afgebeeld in Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift juli-december 1904.

 

Devotiekapel Onze Lieve Vrouw van Altijddurende Bijstand

In 1950 werd uit dankbaarheid dat Wijk bij Duurstede tijdens de Tweede Wereldoorlog voor leed en schade gespaard bleef, de devotiekapel opnieuw ingericht. Naast ramen van glazenier Lambert Simon (1909-1987) werd de inrichting hiervan verzorgd door atelier Brom. Deze inrichting bestaat uit een icoon van Maria van Altijddurende Bijstand in een omlijsting, een bloemenplateau en twee staande luchters. De lijst rond de icoon is uitgevoerd in gepatineerd koper. In het kader van bloem- en bladmotieven zijn medaillons aangebracht met aanroepingen uit de litanie van Maria: Electa ut sol, Porta Caeli, Vellus Gedeonis, Fons Signatus, Hortus Conclusus, Stella Maris, Turris Eburnea, Foedris Arca en Sedes Sapientiae

 

Altaar, tabernakel, altaarkruis en kandelaars 

Aan het altaar in wit ivoire marmer met bijbehoren werd vanaf het begin van de jaren vijftig ontworpen. Deken Meijer had al een plan geopperd het oude neogotische hoogaltaar te vervangen. Zijn opvolger, deken van Weerdenburg, werkte de plannen verder uit en benaderde de edelsmederij van Jan-Eloy en Leo Brom. Van Weerdenburg kwam vroegtijdig te overlijden en werd opgevolgd door deken Smulders. Onder zijn pastoraat werd het priesterkoor aangepast en kwam het hoogaltaar tot stand. Het atelier Brom ontwierp een hoogaltaar met baldakijn. Dit plan bleek te kostbaar en besloten werd de overhuiving achterwege te laten en het altaarkruis meer te decoreren.

Op de voorzijde van de sokkel is een bronzen kruis aangebracht met aan de uiteinden van de kruisarmen de alfa en de omega. Op de kruising van de armen is een vis afgebeeld.  

In het ontwerp van de bekroning van het tabernakel is rekening gehouden met de plaatsing hierop van de achttiende eeuwse thabor, de expositietroon waarop de monstrans werd uitgesteld. Jan-Eloy Brom was bekend met deze thabor. Het atelier had deze gerestaureerd en Jan-Eloy schreef in het Jaarboekje van Oud-Utrecht 1942 de bijdrage Een Doornikse zilverschat in een Stichtsch stadje over de expositietroon,de godslamp, kandelaars en een miskelk. De meeste tabernakels uit de decennia rond de Tweede Wereldoorlog werden letterlijk bekroond met een kroon. De voorzijde van het tabernakel is verdeeld in cassetten met daarop vuurtongen in email. Op de bekroning waarop de expositietroon kan worden geplaatst, is de tekst Fornax ardens Caritatis aangebracht.

Het altaarkruis is geplaatst in 1957. Tot die tijd stond op de thabor een neogotisch altaarkruis dat niet meer in bezit van de parochie is. De trapeziumvormige kruisarmen van het altaarkruis uit 1957 zijn versierd met abstract loofwerk. In het middel de gekruisigde Christus. Bovenaan steekt de hand van God de Vader zegenend uit een wolk. Op de kruisarmen links en recht zijn de zon en de maan afgebeeld. Aan de voet van het kruis geen treurende Maria, Johannes de Evangelist en Maria Magdalena, zoals men zou verwachten, maar een voorstelling van de doop van Christus door Johannes de Doper. Uiteraard refereert deze voorstelling aan de patroonheilige van de kerk en de parochie. In het eerdere ontwerp met een baldakijn was een beeltenis van Johannes de Doper op de overhuiving geprojecteerd.

Bij het altaar werden uiteraard tevens altaarkandelaars vervaardigd. De zes kandelaars zijn uitgevoerd in brons en bestaan uit drie zware poten die een bekken ondersteunen. Dezelfde voet komt terug bij het ontwerp uit 1957 voor twee staande luchters. Deze werden nooit uitgevoerd, en ook het uit de correspondentie tussen deken Smulders en Leo Brom blijkende plan om de bestaande hoge kandelaars te wijzigen en vereenvoudigen, vond geen doorgang.

    

Ruim een decennium na plaatsing van het altaar, in 1969, werd het kerkinterieur grondig gewijzigd. Als gevolg van het Tweede Vaticaans Concilie werd vereenvoudiging wenselijk geacht en werd het altaar omgedraaid en tussen het kerkvolk geplaatst om op deze wijze de eucharistie met het gezicht naar het volk te kunnen vieren. De onderdelen van het altaar van Brom bleven bewaard, maar in een gewijzigde opstelling geplaatst. De altaartafel werd omgedraaid en kwam in de viering van de kerk. Het altaarkruis, dat oorspronkelijk op een stang achter het altaar stond, werd nu aan kabels in de triomfboog opgehangen en het tabernakel verhuisde naar de noordelijke zijkapel waar voorheen het Maria-altaar had gestaan. 

Behalve een Doornikse zilverschat beschikt de St.-Johannes de Doperparochie te Wijk bij Duurstede dus ook over een Utrechtse koperschat die een fraai overzicht biedt op de ontwikkeling van edelsmederij Brom.

Laatst aangepast ( woensdag, 09 juli 2014 13:21 )
 
 
Banner