Hoofdmenu

Random image

Bisschoppelijke grafkapel rooster.jpg.jpg
De St.-Jacobskapel aan de St.-Christoffelkathedraal te Roermond PDF Print E-mail
Geschreven door S. van Daal   
donderdag, 05 november 2009 09:59

Wie de moeite neemt de geschreven pers uit de eerste helft van de twintigste eeuw te raadplegen, komt aardige gegevens tegen over de St.-Jacobskapel aan de Roermondse St.-Christoffelkathedraal. Over de oude historie van de kapel en de verering van St. Jacobus is al het een en ander geschreven. De ontwikkelingen van de laatste decennia zijn ook bekend, maar wat weten wij over de tussenliggende periode?


Verering van St. Jacobus

De verering van de apostel Jacobus in Roermond gaat terug tot in de veertiende eeuw. Het Broederschap van St. Jacob over de Brug had in 1439 toestemming gekregen voor de stichting van een gecombineerde H. Kruis, St. Jan en St.-Jacobuskapel, ter vervanging van een omstreeks 1388 afgebroken Kruiskapel. De kapel, uiteindelijk alleen aan St. Jacob gewijd, werd pas in 1456 gebouwd.  Omdat de Voorstad met regelmaat overstroomde, werd een hogere en drogere locatie gezocht voor de devotie. Deze plaats werd gevonden in de St.-Christoffelkerk, toen nog een parochiekerk.  In 1588 werd de  St.-Jacobskapel door krijgsgeweld verwoest en later geheel afgebroken. Bisschop Lindanus en de magistraat besloten dat er geen behoefte meer was aan een afzonderlijke kapel in de Voorstad omdat er toen reeds een vaste brug over de Roer lag. De inkomsten van deze kapel werden aan de parochiekerk van St. Christoffel toegevoegd en de stichtingen, de vicarie en de eigen broederschappen van Onze Lieve Vrouw en van St. Jacob (het Gilde van de Boogschutters) gingen over naar de St.-Christoffelkerk.  Rond 1480 was de driezijdig gesloten gotische kapel aan de in de eerste helft van de vijftiende eeuw gebouwde, eveneens driezijdig gesloten transeptarm aangebouwd.  De bewoners van St. Jacob woonden hier de H. Missen bij. 

De St.-Christoffelkerk was in het bezit gekomen van een belangrijke reliek van de heilige, zijn rechter onderarm. De devotie tot St. Jacobus duurde zeker tot in de achttiende eeuw maar of de devotie ook een bedevaartskarakter had, is niet duidelijk. Jaarlijks werd er in juli een dienst gehouden ter ere van de H. Jacobus. De reliekhouder was in 1926 al geruime tijd in dermate slechte staat dat deze niet meer werd getoond. Tot in de negentiende eeuw moet dit wel hebben plaatsgevonden. De Nieuwe Maas- en Roerbode van 20 maart 1926 vermeldt namelijk dat ouderen van dagen zich nog zullen herinneren dat de reliek jaarlijks ter verering werd aangeboden. Van circa 1945 tot 1988 was de armreliek in het Witte Kerkje van de Voorstad ondergebracht.  De reliek werd in 1999 weer tentoongesteld in de St.-Jacobskapel en is dusdanig opgesteld dat deze van buiten de kerk ook zichtbaar is. In datzelfde jaar werd de kapel heringericht en op 25 juli, de feestdag van St. Jacobus, opnieuw ingezegend. In 2004 werden de gebrandschilderde ramen toegevoegd met taferelen uit het leven van St. Jacobus, naar een ontwerp van L. Reihs van atelier Flos in Steyl. De herinrichting van de kapel hangt samen met de herleving van het bedevaartskarakter van de verering van St. Jacobus.

Herstel van de St.-Jacobskapel

Tot 1926 is de huidige St.-Jacobskapel in gebruik geweest als bergplaats en rommelhok. Een gewelf was er niet meer en de kapel werd gedekt door een dubbele zoldering. Al in 1914 werd er in de krant geschreven dat het monumentale portaal en de St.-Jacobskapel aan restauratie toe waren en dat beide bouwdelen op de rol stonden om subsidie te krijgen. Architect P.J.H. Cuypers (1827-1921) begrootte de restauratiekosten op fl. 8.000,-.  Als gevolg van een zware storm was in 1921 een deel van de neogotische torenspits naar beneden gekomen en had in zijn val het stergewelf van de kruising meegenomen. Bij herstel van de schade werd het interieur grotendeels ontpleisterd en ontdaan van overdadig geachte decoratieschilderingen. Bij deze restauratie werd de vraag geopperd of er ook moest worden overgegaan tot herstel van de St.-Jacobskapel. Architect Caspar Franssen (1860-1932) kreeg de opdracht de kapel in haar oorspronkelijke toestand terug te brengen. Blijkbaar was er nog enige onduidelijkheid over de bestemming van de kapel want de Nieuwe Maas- en Roerbode vermeldde op 20 maart 1926 dat velen dachten dat na herstelling van genoemde kapel, deze dienst zou doen voor doopkapel, om de jonge zangers, die in do majeur of in fa mineur hun eerste lied uitkraaien, te beletten den ernst van Gods huis te storen; zelfs het gemengd koor van pas geboren dilettanten kon geen genade vinden. Na lang aarzelen werd besloten voedsel te geven aan eene gezonde en treffende godsvrucht en troostend voor ’s menschenhart. Het besluit viel om de kapel te wijden aan de Zeven Weeën van de H. Moeder Gods. De Nieuwe Maas- en Roerbode vermeldde op 3 juni 1925 dat de St.-Jacobskapel, gelegen nabij de hoofdingang in het zuidelijke transept van de Kathedrale Kerk, voor enige tijd inwendig was gerestaureerd en dat de toegang tot de kapel verbreed werd door het herstel van de oorspronkelijke poort. Op dat moment was ook al duidelijk dat er in de kapel een altaar geplaatst zou worden.

De triptiek

In de Rattentoren, die toen al ruim een halve eeuw in gebruik was als bergplaats van materiaal van de kathedraal, werd een altaarstuk gevonden, een triptiek. Voor het stuk werd tevergeefs een plaats gezocht in de kathedraal. Een timmerman die belast was met het terugbrengen van het drieluik had geen kijk op de kunstwaarde van het altaarstuk maar zag wel de waarde van de zware eikenhouten, gebeeldhouwde lijst. Daarop werd de triptiek niet naar de Rattentoren teruggebracht, maar overgebracht naar de spreekkamer van de pastorie. Experts werden verzocht een oordeel te vellen over het altaarstuk. Zij spraken een afkeurend vonnis uit over het schilderij maar het idee kwam wel op de eikenhouten lijst te gebruiken en daarvoor een Piëta te laten schilderen.
De triptiek werd geplaatst op initiatief van Mgr. Le Bron de Vexela. De maker was de Roermondse kunstschilder Albin Windhausen (1863-1946). Het middenpaneel toont de bewening, een uitgebreidere scène dan de Piëta. Maria is in het midden gezeten voor het kruis waarvan Christus zojuist is afgenomen. Op haar schoot het lichaam van haar dode Zoon en om hen heen onder meer Maria Magdalena, Johannes de Evangelist, Maria Cleophas, Nicodemus en Jozef van Arimathea. Op de predella, het voetstuk van dit drieluik, staat de tekst Consolatrix Afflictorum (troosteres van de bedroefden). De luiken tonen de patroonheilige van de kathedraal en de stad Roermond, St. Christoffel, en St. Jacobus, aan wie deze kapel vanouds was gewijd. Het drieluik werd gesigneerd A. Windhausen 1926 op het middenpaneel en A.W. 1926 op het rechter zijluik met de afbeelding van de heilige Jacobus. Op dit luik staat ter herinnering de Voorstad afgebeeld. Onder de rechterarm en achter de staf is de Steenen Brug duidelijk herkenbaar.

Op aanwijzing van architect Franssen werd een marmeren vloer gelegd door de gebroeders Latiers. De firma Comuth leverde het altaar bekleed met schitterend Mexicaans onyx en kunstsmid Meyers smeedde een sierlijk hek dat de kapel afsluit van de kerk. Ook werd het onvermijdelijke offerblok niet vergeten dat om hulp smeekt voor de verdere stoffering van kapel en altaar.

Op 26 maart 1926, op de feestdag van Onze Lieve Vrouw van Zeven Smarten, droeg de toenmalige bisschop van Roermond, Mgr. Laurentius Schrijnen, voor het eerst sinds lange tijd een H. Mis op in de pas gerestaureerde St.-Jacobskapel. Tegenwoordig viert de kerk de gedenkdag van Onze Lieve Vrouw van Zeven Smarten op 15, september, daags na het feest van de H. Kruisverheffing.

Latere ontwikkelingen in de kapel

De middeleeuwse Broederschap Sint Jacobus werd in 1786 opgeheven maar werd in 2000 weer opnieuw opgericht. Deze broederschap wil de verering van Jacobus in de Jacobuskapel instandhouden en bevorderen op religieuze, culturele en historische gronden, door onder meer bedevaarten, lezingen en andere activiteiten rond Sint Jacobus te organiseren. Daarnaast wil ze de stad Roermond promoten als pleisterplaats op weg naar Santiago de Compostella. De kapel is sindsdien weer meer de Sint-Jacobskapel geworden en de verering van Onze Lieve Vrouw van de zeven smarten is naar de achtergrond verdwenen. Een aantal broeders verzorgde in 2005 een vijftiende eeuws beeld voor de kapel en in 2004 kwamen er gebrandschilderde ramen naar ontwerp van L. Reihs, vervaardigd bij atelier Flos in Steyl. In 2011 werd het triptiek van Windhausen van het altaar verwijderd en ondergebracht in het Onze Lieve Vrouwekoor. In plaats daarvan kwam het beeld van Sint Jacobus dat afkomstig is uit het kerkje van de Voorstad. Het werd rond 1940 vervaardigd door Charles Vos (1888-1954). Na de sluiting van het kerkje van de Voorstad kreeg het beeld aanvankelijk een plaats in de doorgang van de Grote Kerkstraat naar het terrein ten noorden van de kathedraal.

Bronnen: Nieuwe Maas- en Roerbode, De Nieuwe Koerier, www.meertens.knaw.nl, www.broederschapheiligejacobus.nl
 

Laatst aangepast ( vrijdag, 13 april 2012 09:49 )
 
 
Banner